Homepage Film-Plateau Programma Nieuws Praktisch Partners Links Documentsharing Intranet
Februari 2013

Maart 2013

April 2013

Mei 2013

Redactioneel

Colofon

Raoul Servais

Belgisch modernisme en abstractie

Filmtonen

Redactioneel
'Movies aren't made, they're remade'
         
Reeds in 1925 sprak de legendarische Hollywoodproducent Irvin Thalberg deze woorden uit. De geschiedenis van het filmmedium wordt dan ook sinds het prille begin gekenmerkt door een fascinatie voor remakes. Vaak uit een onweerstaanbaar gevoel van nostalgie, vaak uit een al even onweerstaanbaar gevoel van commercieel denken waarbij Hollywood ook ver buiten de eigen landsgrenzen op zoek gaat naar inspiratie en goede scenario's. Het 'recycleren' van verhalen die al voorheen of in andere landen hun waarde en succes bewezen hebben, is voor een filmindustrie zonder meer een lucratieve piste om te volgen. Toch is de remake ook voor veel regisseurs het middel bij uitstek om een artistieke hommage te brengen aan vaak vergeten filmpareltjes of regisseurs en om een breder publiek kennis te laten maken met een sterk verhaal. Een doelstelling die evenzeer van toepassing is op de voorjaarsprogrammering van het Centre for Cinema and Media Studies (CIMS, vakgroep Communicatiewetenschappen).
    
Door Ernst Lubitsch' Ninotchka (1939) en Rouben Mamoulians Silk Stockings (1957) op twee weken na elkaar te programmeren nodigen we de toeschouwer uit om te ontdekken hoe creatief men met een remake kan omgaan. Niet enkel de titel veranderde, de film transformeerde ook van een komedie naar een musical en het verhaal werd grondig aangepast. Opmerkelijk binnen het remakegegeven zijn de zogenaamde 'autoremakes'. Vaak ingegeven door technologische vernieuwingen wordt hierbij de volledige film van begin tot einde netjes overgedaan, eventueel in een andere context of in een andere tijdsperiode, maar met dezelfde regisseur aan het roer. Zo maakte Alfred Hitchcock in 1956 dankbaar gebruik van zijn populariteit in Hollywood en zijn status als Master of Suspense om een nieuwe versie van zijn The Man Who Knew too Much uit 1934 in te blikken.
   
De autoremake behoort tot een bredere categorie van remakes die moderne versies zijn van eerder werk, vaak binnen eenzelfde nationale context. King Kong vormt hier een typisch voorbeeld van. Dit geesteskind van regisseur Merian C. Cooper is het onderwerp geweest van menige verfilmingen en vond zo zijn vaste plaats binnen de hedendaagse populaire cultuur. De eerste en originele verfilming werd reeds in 1933 ingeblikt en was zowel cinematografisch als thematisch een kind van haar tijd. Een voorbeeld van een transnationale remake is Solaris, eerst in 1972 verfilmd door Andrei Tarkovsky en dertig jaar later nog eens overgedaan door Steven Soderbergh. Hoewel beide films een adaptatie zijn van Stanislaw Lems gelijknamige boek, wordt toch snel duidelijk dat de meest recente versie in de eerste plaats geïnspireerd is op Tarkovsky's bekroonde meesterwerk, weliswaar met de implementatie van de nodige Hollywoodallure en blockbusterformules.
   
Ten slotte is er Great Expectations, als onderdeel van het westerse literaire canon een geliefkoosd verhaal voor adaptaties binnen de film- en theater-wereld. Charles Dickens werd door Sergei Eisenstein de belangrijkste 'vader van de film' genoemd en dat uit zich in de vele verfilmingen van zijn literair werk. Voor klassiekers als Oliver Twist en Great Expectations kan men zelfs spreken van een geleidelijke cinematografische ontkoppeling: het kluwen aan vroege adaptaties creëerde een bron van narratologische inspiratie voor steeds nieuwe generaties van filmmakers. Ook in Dickens' tweehonderdste geboortejaar, 2012, verscheen nogmaals een nieuwe tele-visie- en filmversie van Great Expectations. In Film-Plateau vertonen we de meest gevierde versie, die van David Lean uit 1946.
     
khaël velders, stijn joye en gertjan willems
    

   
Legendarische samenwerkingen
      
Tijdens het voorjaar van 2013 belicht het vakgebied Theaterwetenschappen een aantal legendarische samenwerkingen. We vertonen films die er nooit zouden zijn gekomen zonder de unieke klik tussen twee kunstenaars. De productie van een film is altijd een kwestie van teamgeest, en al te weinig gaat de aandacht van het publiek naar de uitzonderlijke wisselwerking tussen een regisseur en de leden van zijn cast en crew, die dikwijls bepalend is voor het succes van de film. We presenteren bijzondere filmcollaboraties zoals Tystnaden (1963), ook gekend als De Grote Stilte, een van de meest geprezen films van de Zweedse regisseur Ingmar Bergman. In 1953 werkte Bergman voor het eerst samen met 'director of photography' Sven Nykvist, wat zou resulteren in een levenslange band. Nykvist bepaalde de 'look' van de film via de keuzes inzake camerawerk en belichting. De prachtige close-ups, de naturalistische cameraopnames en fraaie belichting in het latere werk van Bergman komen op conto van Nykvist, die al snel gevraagd werd door tal van grote regisseurs zoals Andrei Tarkovsky en Roman Polanski. Ook Bernardo Bertolucci dankt het succes van films als Il Conformista en Novecento mede aan Vitorio Storare, die verantwoordelijk was voor de cinematografie van onder andere Apocalypse Now van Coppola. We vertonen de schandaalfilm Ultimo Tango a Parigi (1972) met Marlon Brando waarin Storare opnieuw zijn sfeervolle kleurenpalet bovenhaalt. Een ander voorbeeld van een haast symbiotische samenwerking is die tussen regisseur Sergio Leone en componist Ennio Morricone. Voor de westerns van Leone componeerde Morricone epische muziek die niet zomaar de film ondersteunde, maar werkelijk stuurde via betekenisgevende motieven die zich in ons collectief geheugen boorden. The Good, the Bad and The Ugly (1966) is ook daardoor een onsterfelijke genrefilm geworden. Erg bijzonder is het onafscheidelijke duo Michael Powell en Emeric Pressburger. Hoewel ze wisselende functies vervulden binnen het schrijven, regisseren en produceren van hun rijke oeuvre, passeerden ze telkens twee aan twee langs de generiek. Van deze geoliede filmmachine vertonen we I know where I'm going! (1945), een minder bekende maar niettemin uitstekende liefdesfilm. De rol van de acteur is voor het grote publiek wellicht de minst onderschatte binnen de productie van een film, en er zijn tal van voorbeelden van turbulente haat-liefde verhoudingen tussen regisseurs en hun 'fetisjacteurs': Werner Herzog en Klaus Kinski, R.W. Fassbinder en Hannah Shygulla, G.W. Pabst en Louise Brooks... Zo ook had Akira Kurosawa een grote voorliefde voor steracteur  Toshirô Mifune, die in maar liefst zestien films van Kurosawa schitterde, waaronder The Bad Sleep Well (1960), vrij geïnspireerd door Hamlet van Shakespeare. Maar de theaterwetenschappers starten het seizoen met een van de meest glorieuze actrices uit de filmgeschiedenis, Marlene Dietrich, die voor altijd Der Blaue Engel (1930) van de Oostenrijkse regisseur Josef Von Sternberg is gebleven.
    
sofie verdoodt

 

  
IPEM 50  – Raoul Servais en elektronische muziek
 
Het Instituut voor Psychoacoustica en Elektronische Muziek (IPEM), onderzoekscentrum van de afdeling musicologie, Universiteit Gent, bestaat in 2013 een halve eeuw. Er wordt gevierd op 27 en 28 maart 2013 in de Aula Academia in de Voldersstraat met een gevarieerd programma rond vijftig jaar elektronische muziek. Meer info: www.ipem.ugent.be/
Film-Plateau zet enkele kortfilms van Raoul Servais met elektronische muziek van o.m. Lucien Goethals, gerealiseerd in de studio van het IPEM, op het programma. Lucien Goethals (1931-2006) was als componist en radioproducer vanaf de begindagen verbonden aan het IPEM en van 1974 tot 1986 nam hij de artistieke leiding van het instituut op zich. In de jaren zestig kwam ook de Belgische animatiefilm langzaam tot bloei, en de samenwerking voor de sonorisatie lag voor de hand. De verklanking van animatie via elektronische muziek biedt immers het voordeel dat de stilering die inherent is aan animatiefilm consequent kan worden aangehouden via elektronische klanken. Raoul Servais heeft vrij snel in zijn loopbaan als regisseur de weg gevonden naar de componist Lucien Goethals. Er groeide een vriendschap tussen beide kunstenaars, die haar oorsprong vindt in hun maatschappelijk engagement en vrijzinnige levensfilosofie. Functioneel gebruik van klank bij animatiefilm is essentieel, want de soundtrack vertelt net zoals het beeld het verhaal. Goethals componeerde voor Sirene (1968), To speak or not to speak (1970), Pegasus (1973), Harpya (1979) en Atraksion (2001).
micheline lesaffre
  
Film-Plateau is bijzonder trots Raoul Servais al sinds haar ontstaan tot haar ereleden te mogen rekenen, en maakt van de gelegenheid gebruik om nog wat extra kortfilms te tonen. Raoul Servais werkte immers ook nog samen met de componisten Paul Van Gysegem en Arsène Souffriau, overigens allebei 'compagnons de route' van het legendarische Gentse IPEM.
Wij zijn verheugd om Raoul Servais op 26 februari in ons midden te hebben, want dan geeft hij een inleiding bij Sirene en Goldframe.
      
het film-plateau-team

 


 

Het Métier